De zorgstandaard ADHD, hoe te implementeren in de dagelijkse praktijk?

De nieuwe zorgstandaard 


Sinds februari is de nieuwe zorgstandaard ADHD beschikbaar met adviezen van alle richtlijnen van de organisaties die betrokken zijn bij de ADHD-zorg, zoals die van huisartsen, jeugdzorg, jeugd­gezondheidszorg, kindergeneeskunde en de ggz.

De laatste jaren is er (in de media) een uitgebreide discussie gevoerd over ADHD in relatie tot over- en onder diagnostiek en een enorme groei van het gebruik van medicatie. Professor Willem Nolen, voorzitter van de werkgroep die de zorgstandaard samenstelde: “In de maatschappij lopen de opvattingen of ADHD te veel of te weinig wordt gediagnosticeerd, sterk uiteen. Volgens sommigen krijgen drukke kinderen véél te makkelijk het label ADHD opgeplakt en krijgen kinderen ook véél te snel medicatie. Anderen zijn juist van mening dat ADHD vaak gemist wordt. Soms blijkt het pas in de volwassenheid; vooral bij vrouwen, wordt ADHD vaak niet herkend.”

De zorgstandaard geeft duidelijke handvatten hoe enerzijds onderdiagnostiek te voorkomen door signalen te herkennen die op ADHD zouden kunnen wijzen én hoe met eenvoudige vragenlijsten op de mogelijkheid van ADHD te screenen. Anderzijds kan overdiagnostiek worden bestreden door de diagnose het liefst te stellen op basis van gestructureerde interviews met het kind en met de ouders, en bij voorkeur ook met een andere belangrijke volwassene die het kind kent, zoals de leerkracht.

Wanneer zet je bij ADHD psychotherapie in, wanneer medicijnen en wat kan er nog meer? De zorgstandaard bevat daartoe enkele stroomschema’s wanneer welke behandelvorm in aanmerking komt. Bij lichte vormen volstaat vaak voorlichting en het geven van adviezen. Bij meer ernstige ADHD komt intensievere behandeling in aanmerking. Dat hoeft lang niet altijd medicatie te zijn. Zo kunnen ook training (van kind en ouders en eventueel de leerkracht) en psychotherapie (met name cognitieve gedragstherapie) effectief zijn, eventueel in combinatie met medicijnen. Willem Nolen: “De verwachting is dat met deze zorgstandaard het medicatiegebruik waarvan de groei de laatste jaren al was gestopt, verder teruggedrongen kan worden. En als medicatie toch geïndiceerd is, bevat de standaard ook nog eens stroomschema’s over wanneer welke medicatie te gebruiken.”

De adviezen en stroomschema’s in de zorgstandaard geven aan of en zo ja wanneer iets werkt. Hiertoe is in samenwerking met de Britse organisatie NICE in ‘meta-analyses’ van de internationale wetenschappelijke literatuur de effectiviteit van alle adviezen onderzocht; uitkomsten daarvan komen ook beschikbaar. De zorgstandaard is overigens géén protocol. Centraal staat het begrip matched care: de zorgstandaard biedt de zorgverlener concrete handvatten waarmee deze in samenspraak met patiënt (en naasten) de behandeling individueel vorm kunnen geven.

Doel is dat de patiënt kan omgaan met de problemen die hij/zij door ADHD in het dagelijkse leven ervaart, zoals schooluitval of problemen op het werk of in een relatie. Willem Nolen: “Richt de behandeling expliciet op het bereiken van een persoonlijk doel: hoe krijg je meer grip op je leven en vergroot je je eigen veerkracht?”

Goede zorg vraagt om goede samenwerking

Aan de werkgroep die de zorgstandaard ontwikkelde, namen elf verschillende beroepsgroepen deel.

Willem Nolen: “Bij de zorg voor mensen met ADHD zijn heel veel disciplines betrokken en de zorgbehoefte van mensen met ADHD kan verschillen in verschillende levensfasen. Dat zie je duidelijk terug in de zorgstandaard. Het is geweldig hoe al deze beroepsgroepen met de betrokken patiëntenverenigingen hebben samengewerkt en naar mijn mening ook een passend antwoord hebben gevonden op de vragen in maatschappelijke discussie.”

bron: persbericht